|
G e n t s e f e e s t e n |
|
|
|
|
Wat ik mij nog herinner van de eerste Gentse Feesten is de kleinschalige organisatie en het spontane karakter van het geheel. Ik kende Walter De Buck nauwelijks, maar toch had ik het gevoel dat ik er bij hoorde, bij die bonte mengeling van alternatieven en langharigen. De eerste keer dat ik op het pleintje verzeilde tijdens die bewuste eerste feesten, was Rudy Bellemans van de Doolaards aan het optreden, samen met een Ier, die ik achteraf nooit meer gezien heb. Ik had Rudy Bellemans leren kennen in Antwerpen, en we hadden bij hem thuis al samen gemusiceerd. Hij zag me zitten tussen het volk, zo'n vijftig á zestig man, en hij riep me op het podium. Er werd ergens een gitaar gehaald en ik mocht meespelen. Het podium bestond uit drie kleine "pratikabels", het was ook niet overdekt, en in het midden stond er maar één micro. Met hoeveel muzikanten je ook op het podium stond, er was maar één micro beschikbaar. We speelden nummertjes uit het klassieke folkrepertoire, liedjes die iedereen kende, en we hadden nog succes ook. Dat was mijn eerste optreden op de Gentse Feesten.
In die tijd was Mong Rosseel samen met enkele vrienden het buurthuis 'Kontakt' begonnen in de Sleepstraat en Walter kwam daar regelmatig spelen. De tweede Gentse Feesten traden we op met het koor van het buurthuis. Walter had ook gevraagd of we met enkele mensen van het buurthuis konden helpen bij de drankverkoop. Op die manier waren we dicht bij de feesten betrokken. In oktober vierden we de eerste verjaardag van het buurthuis en voor die gelegenheid hadden we met een paar vrienden een "show" in elkaar geknutseld. Dit was de geboorte van Vuile Mong en de Vieze Gasten. Walter had ons zien optreden en hij gaf ons een kans om, tussen het tappen en bestellen door, op de Gentse Feesten van 1972 op te treden. Het publiek was laaiend enthousiast. Walter geloofde erg in de groep en in augustus nam hij ons mee door Vlaanderen als voorprogramma. Voor we het beseften, werden we een veelgevraagde groep. Die doorbraak is er grotendeels gekomen door dat optreden op de feesten en door de stimulans die we van Walter kregen. De Vieze Gasten zijn nu nog steeds een vaste waarde in het programma. Sinds we als groep geëvolueerd zijn naar een theatergezelschap spelen we tijdens de feesten in de Baudelookapel.
De eerste jaren werd er op alle vlakken geïmproviseerd. Naast de programmatie op het podium was er veel ruimte voor de inbreng van het publiek. Het podium stond altijd vol met mensen die de groepen liever van dicht volgden, en er zaten ook altijd mensen tussen die spontaan de pauzes tussen de verschillende optredens verzorgden met Gentse liedjes.
Don Camillo was een vaste gast. Hij was steeds gekleed in pitteleir, een wit ondervestje en chapeau-buse. Met zijn zelfgebouwde percussie-instrumenten of op zijn mondharmonika speelde hij elke avond als entr'acte "it's a long way to Tipperary" of "Oh Suzanna". Jeróme Rieux was ook een vaste zanger. Hij had een veel uitgebreider repertoire, maar zijn beste nummers waren toch "de sterkste man van Gent" en "'t sleutelgoatse". Naarmate hij ouder werd kon hij zijn teksten moeilijker onthouden, maar er was altijd wel iemand in het publiek die hem de volgende zin kon toeroepen.
Alles kon, en alles mocht. Elke avond waren er jam-sessions die meestal tot de vroege ochtend duurden. Op de Vlasmarkt was er toen maar één café open tijdens de feesten: 'De Ekkentu'. Dit café werd uitgebaat door Cecile Carels. Zij was ook vanaf het eerste uur betrokken bij de feesten en haar café was gedurende die tien dagen dag en nacht open. Elke avond waren er optredens. Roland, de Piotto's en Waso traden er geregeld op. Guido Schiffer op viool en ik op accordeon hebben daar vele nachten gespeeld. Meestal stonden er meer dan honderd mensen binnen, opeengepakt op de vloer, op de stoelen, op de tafels, en de sfeer was ongelooflijk. Soms gebeurde het dat iedereen, in de mate van het mogelijke, stond mee te dansen zodat de vloer het dreigde te begeven. Er stond dan iemand in de kelder die kwam roepen als de vloer te veel begon mee te geven, en dan moesten we onmiddellijk stoppen. De jaren nadien hebben ze de vloer speciaal ondersteund voor de feesten.
De Vlasmarkt was toen de plaats bij uitstek voor straatanimatie. Jaar na jaar stond Mong Rosseel er met een spooktent, waar zelfs Arne Sierens en Wim Meuwissen nog aan meegewerkt hebben. Pol De Braeckeleer van "De Muur" heeft daar met het reuzenei, de koe, het kaartenhuisje en de muur gestaan. Schitterende animaties die zeer veel volk lokten, en waar je voor 20 frank inkom steevast bedot was. Het was verbazend dat degene die één van deze attracties bezocht had, weigerde om de inhoud te verklappen aan de anderen. Zelf zien en zelf beleven was de boodschap. Gust Buysse is jarenlang ook een vaste animator geweest op de Vlasmarkt. Elk jaar probeerde hij een nieuw wereldrecord te vestigen. Zijn naam veranderde mee met zijn recordpogingen: "Guust de stempelaar, Guust de wortelschreper, Guust de muilentrekker", enz. Zijn merkwaardigste stunt was mischien wel het wereldrecord briefschrijven aan president Reagan.
Wat ik me ook nog goed herinner is de stunt van Jan Verroken. Hij liep op een schuine kabel omhoog van het druppelkot op Sint-Jacobs naar een kraan die op het einde van de Vlasmarkt stond. Elke dag werd deze stunt keer op keer uitgesteld. De voorlaatste dag liep hij dan toch terwijl de fanfare van Sint juttemis zorgde voor een muzikale begeleiding waarvan je kippevel kreeg. De eerste jaren werkte ik als tapper en naarmate de feesten groeiden werd het steeds moeilijker om op een treffelijke manier te tappen. We moesten soms zo snel bestellen dat de koeling van de taps het niet meer haalde en er enkel nog schuim uit de tapkranen kwam. Toen lieten we gewoon emmers vollopen waaruit we dan de pinten schepten. Toen kon dat nog en accepteerden de mensen dit.
Er was een groot voordeel aan, de pintjes waren steeds tot de rand gevuld. Vandaag zou je om hygiënische redenen onmiddellijk het kraam moeten sluiten. Een plezante anekdote uit die tijd was dat Walter en Dick Rogiers op een morgen verdwenen waren. Spoorloos. Er brak paniek uit, want ze hadden de kas meegenomen. Tegen de avond kwamen ze goed in de wind terug. Ze hadden een bloemenwinkel leeggekocht en de bloemen aan het station uitgedeeld aan de treinreizigers. Als reden gaven ze op dat dit een uitstekende campagne was voor de public relations van de Gentse Feesten.
Na het vijfde jaar zijn de Gentse Feesten in een stroomversnelling terecht gekomen, en werd het publiek steeds talrijker. Het programma werd gevarieerder en uitgebreider. Volksmuziek, jazz, blues, etnische muziek, kleinkunst, Rock & Roll, het was toen al een bonte mengeling van artiesten en groepen.
Er werd ook naar efficiëntere methoden gezocht om de bediening van de drank vlotter te laten verlopen, dikwijls zonder succes. Voor veel medewerkers was de sfeer belangrijker dan het werk. In de namiddag waren er ook altijd activiteiten voor de kinderen. Stekelbees heeft jaren het "jeugdatelier" onder de naam "Patati Patata" op zich genomen. leder jaar opnieuw werd de draak buiten de stad opgehaald om dan stoetsgewijze naar Sint-Jacobs te komen.
Vanaf 1972 werden er om de dag af te sluiten, of beter om de volgende dag te beginnen, films gedraaid. Marc Van Hecke, die van 1970 tot en met 1982 voor de geluidsversterking zorgde, selecteerde de films. Er zaten soms veel mensen te kijken, zelfs als het beeld bijna niet meer zichtbaar was omdat het 's morgens al te klaar was.
Later heb ik verschillende ideeën voor de stoet uitgewerkt, zoals de wandelende parodie op de gemeenteraad, de reuzentaart met de koppen van politiekers, de act met de guillotine, enz.
In 1982 hebben we het gebouw aangekocht waar nu het Nieuwpoorttheater is. Vanaf 1980 hebben we die ruimte gebruikt tijdens de Gentse Feesten om er theatergezelschappen en aanverwante acts te programmeren. In de tweede helft van de tachtiger jaren is Dirk Pauwels met enkele vrienden begonnen met de uitbouw van wat nu het "Nieuwpoorttheater" is.
Vroeger werd er ook altijd rond een thema gewerkt, of werd er een instrument in het daglicht gesteld. De meest uiteenlopende zaken zijn aan bod gekomen: 'Culturen als Buren', 'Wat betekent volksmuziek in de wereld van vandaag?', 'Wa gaade gij worden als ge groot zijt?', 'Het getal 13', De doedelzak, 'Het Geheim', 'De tip van de Sluier', enz.
De laatste jaren werken we zonder thema. Er komen zoveel verschillende culturele aspecten aan bod tijdens de Feesten dat je voor elke editie wel tien namen kan bedenken.
Sinds 1985 is er een nieuwe Raad van Beheer, waarvan ook ik deel uitmaak. Door allerlei omstandigheden was er dat jaar een enorm verlies van ongeveer 3.000.000 fr.
Om die put te vullen hebben we toen voor de volgende jaren voor het eerst een beleidsplan uitgewerkt. In dat plan werd alles heel strikt gebudgetteerd. Het artistieke budget werd vastgelegd, en moest strikt nageleefd worden. Het plein kreeg een nieuwe indeling, het podium werd verplaatst en er kwam een nieuwe tentenstructuur. We hebben ook moeten bezuinigen op de onkostenvergoedingen voor de medewerkers, enz. Elke frank werd twee maal omgedraaid voor we hem uitgaven. De steun die we tot dan toe van de stad kregen, beperkte zich tot het betalen van enkele groepen, die ook op de andere grote pleinen optraden, en het leveren van de podia, nadars en vlaggenmasten.
Binnen deze krappe begroting werd er, naast de programmatie, toch plaats gevonden om elk jaar opnieuw opdrachten te geven aan enkele plastische kunstenaars. Als één van de hoogtepunten wil ik "De Vlieger" (1983) van Luc Van Haegenborgh vermelden. Hij was trouwens ook de man achter de reuzenbetonblok die we in 1980 met vzw Trefpunt aan de stad schonken. In 1989 realiseerden we een "affichekunst-happening" in samenwerking met het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst. In 1990 volgde het plastisch project: "De enige drempel is de stoep van de straat".
In 1991 kwam een poëzieproject tot stand in samenwerking met het Poëziecentrum. Aan de stelling naast de kerk werden gedichten opgehangen. Voor elk gedicht had Franky Cane een bijpassend schilderij gemaakt. Die gedichten werden ook op posters gedrukt en in de binnenstad opgehangen.
In 1992 realiseerden we een plastisch fotoproject van Guido De Leeuw over de multiculturele samenleving, en verwezenlijkten we het project: "Gebakken gedichten" van Frank Liefooghe op het Rode Plein in Moskou.
Sinds 1985 heeft ook de sponsoring zijn intrede gedaan op Sint-Jacobs. Voor die tijd kregen we hier en daar wat materiaal en een beetje geld van de brouwerij.
Door de stijgende kosten voor de programmatie, de infrastructuur, de medewerkers, en niet te vergeten de BTW en de bedrijfsvoorheffing op buitenlandse artiesten, is sponsoring voor de organisatie van de Gentse Feesten onontbeerlijk geworden. De steun die we van de overheid krijgen is zelfs niet voldoende om de BTW en de bedrijfsvoorheffing te betalen. Toch proberen we in de mate van het mogelijke het pleintje zelf vrij te houden van reclamepanelen en agressieve publiciteitscampagnes. Het pleintje is er in de eerste plaats voor de concerten, voor de plastische aankleding en voor het publiek. Wij willen die sfeer proberen te behouden. Tot vandaag begrijpen en respecteren onze sponsors dit.
Tot 1989 kreeg vzw Trefpunt van de stad op artistiek vlak een paar groepen aangeboden via de Dienst Culturele Animatie. De Korenmarkt kreeg er nog eens 800.000 fr. bovenop, en het Sint-Baafsplein werd volledig georganiseerd door de stad. In datzelfde jaar hebben we toen een voorstel uitgewerkt met een nieuwe verdeelsleutel voor de subsidies en die aan het nieuwe stadsbestuur voorgesteld. Elke organisator zou subsidies ontvangen in verhouding tot het artistieke budget dat hij zelf investeerde. Het stadsbestuur is ons daar gedeeltelijk in gevolgd, in die mate dat ze voor de drie grote pleinen ongeveer evenveel subsidieerden. Voor Sint-Jacobs betekende dit een subsidieverhoging van meer dan 1.000 %.
In 1989 zijn Guido De Leeuw en ik naar de stad gegaan met het voorstel om in Gent een straattheaterfestival te organiseren. De stad heeft onmiddellijk enthousiast gereageerd. Ze wilden zelfs als gelijkwaardige partner mee organiseren. Vzw Trefpunt zou instaan voor de artistieke invulling, en de stad zou de praktische realisatie op zich nemen. In 1990 hebben we samen het eerste Europees Straattheaterfestival te Gent georganiseerd. Dit festival sloeg in als een bom en het wantrouwen dat voordien leefde bij sommige beleidsmensen en collega-organisatoren, veranderde snel in een laaiend enthousiasme. Eén van de sterkste troeven van het Straattheaterfestival was dat het zeker geen elitair festival was. Het Straattheaterfestival was toegankelijk voor iedereen, en bijna alle voorstellingen waren gratis. Omdat de groepen op straat optraden, speelde ook hier de spreekwoordelijke "drempelvrees" die de "cultuurtempels" wel hebben, geen rol. Tijdens het eerste Straattheaterfestival werd al snel duidelijk dat er ook bij ons een ruime belangstelling groeide voor openluchtvoorstellingen van hoog artistiek niveau.
In 1992 werd de naam van Vzw Trefpunt aangevuld met de ondertitel: "Produktiecentrum voor Kunsten op Straat". We wilden naast het hoge aantal kwalitatief goede buitenvoorstellingen die beschikbaar waren uit het buitenland, zelf starten met de realisatie van volwaardige buitenprodukties. Tijdens het tweede Europees Straattheaterfestival realiseerden we één eigen buitentheaterproductie, "Arena", en één coproductie met het "Theaterfestival aan de Werf' uit Utrecht, "Aero". Eén van de onderdelen van het tweede Europees Straattheaterfestival werd "De Grote Prijs Guido Claus", ter nagedachtenis van Guido Claus, één van de "Twee Wezen", met wie wij jarenlang een prettige en vriendschappelijke samenwerking hadden. Jarenlang was hij medewerker op Sint-Jacobs als schenker in ons "druppelkot".
Deze wedstrijd is bedoeld voor jonge en nieuwe groepen, en voor solospelers die, met een minimum aan materiaal, toch een boeiende voorstelling weten te realiseren. De eerste prijs werd gewonnen door de Compagnie Contre-Pour met hun voorstelling: "Les Hommes en Noir"
In 1990 zijn we tijdens de Feesten gestart met de organisatie van orgelconcerten in de Sint-Jacobskerk. Iedereen kende de Sint-Jacobskerk, één van de mooiste kerken van Gent, langs de buitenkant, maar de meesten onder ons waren er nooit binnen geweest. Die kerk is gedurende het jaar, buiten de kerkdiensten, niet open voor bezoekers. Er kwamen heel wat luisteraars naar de concerten; sommigen waren enkel geïnteresseerd in het interieur. Sinds 1991 geven we voor deze concerten compositieopdrachten aan hedendaagse Vlaamse componisten.
De Gentse Feesten zijn op een punt aangeland dat het regionalisme ver overstijgt. Het is meer dan ooit nodig om dit festival op een professionele manier te kunnen uitbouwen.
De laatste jaren heb ik heel wat festivals bezocht in Europa. Telkens valt het unieke karakter van de Gentse Feesten als "stadsfestival" en "volksfeest" op. Nergens in Europa bestaan er stadsfeesten die op dezelfde manier als in Gent uitgebouwd zijn, en meestal is de periode ervan veel korter.
Toch lijkt het voor buitenlandse organisatoren onwaarschijnlijk als ze vernemen dat bijna de hele organisatie van dit festival door vrijwilligers gedragen wordt. Zelfs kleinere festivals in het buitenland beschikken meestal over voltijds betaalde medewerkers en kunnen rekenen op een structurele subsidie van de verschillende overheden. Hun artistiek budget is meestal een veelvoud van het onze.
De Gentse Feesten organiseren is voor mij en voor sommige medebeheerders bijna een full-time job. Gelukkig biedt mijn werk bij de Vieze Gasten mij tot op dit ogenblik voldoende ruimte om de nodige tijd aan de organisatie van het Europees Straattheaterfestival en Sint-Jacobs te besteden, al gaat dit meestal ten koste van andere zaken. Toch is het soms zeer ontmoedigend om altijd weer geconfronteerd te worden met een tekort aan financiële middelen en een gebrek aan waardering van sommige overheidsinstanties. Je leert er mee leven en je hoopt dat de toekomst beterschap zal brengen. De ideeën zijn er, de mensen zijn er, de know-how is er, de infrastructuur is er, maar we beschikken niet over de nodige fondsen om sommige projecten waar te maken. Spijtig. Nochtans is een voortdurende vernieuwing en een creatieve investering, die ook financieel gesteund wordt, nodig voor de verdere ontplooiing van de Gentse Feesten. De Feesten zijn van een klein onderonsje uitgegroeid tot een festival dat fungeert als venster, waardoor cultureel Europa naar Gent kijkt. De culturele uitstraling van de Gentse Feesten is hoogwaardige publiciteit die het imago van Gent als "cultuurstad" zeker ten goede komt.
Wat ik nog boeiend vind aan de geschiedenis van de Gentse Feesten is het tegengestelde standpunt van de stedelijke overheid. In 1843 heeft het Gents stadsbestuur bij collegebesluit de Gentse Feesten ingevoerd met op de allereerste plaats de bedoeling er een volksfeest van te maken: een feest van, door en voor het volk. De Gentse Feesten zijn in oorsprong een initiatief van de stedelijke overheid.
In de zestiger jaren waren de Gentse Feesten, nog steeds een initiatief van de stad, op sterven na dood. Tot Walter De Buck in 1969 begonnen is op het Sint-Jacobsplein. De stedelijke overheid heeft de eerste jaren ontkend dat er een nieuw initiatief was. Het is pas jaren later, toen ze geconfronteerd werden met de enorme opkomst van het publiek dat ze, schoorvoetend en van op afstand, noodgedwongen de situatie erkenden. Deze 'nieuwe' Gentse Feesten zijn uit het volk gegroeid. De vele plaatselijke organisatoren hebben samen de Gentse Feesten weer groot gemaakt, groter dan iemand in 1969 ooit had durven denken. Dat succes is op de eerste plaats te danken aan de vele mensen die zich jarenlang belangeloos, vrijwillig en spontaan hebben uitgesloofd voor het welslagen van de Gentse Feesten. Zij zijn het die van de Gentse Feesten telkenmale iets prachtigs, iets unieks hebben gemaakt.
Dat de Gentse Feesten in de zeventiger jaren, toen al zelfs buiten Gent, een unieke uitstraling hadden, wordt bewezen door het feit dat veel festivals in Vlaanderen zich geïnspireerd hebben op de Gentse Feesten: de Lokerse Feesten in Lokeren, de Paulusfeesten in Oostende, het Straatfestival in Vlissingen, het Cactusfestival in Brugge, de Savooifeesten in Ninove, de Steenfeesten in Antwerpen, enz.
Walter De Buck heeft jaren geleden dit prachtige stadsfeest 'terug' aan de Gentenaars geschonken. Alle Gentenaars en alle bezoekers van de Gentse Feesten zouden hem alleen al daarom een zeer warm hart moeten toedragen. De Gentse Feesten Bij Sint-Jacobs waren niet alleen de bron van de nieuwe Gentse Feesten, maar ze zijn er nog altijd de voortrekker en de grootste bezieler van. De Feesten Bij Sint-Jacobs zijn nog altijd een artistiek volksgebeuren met een verrassend hoog cultureel niveau. Het is onze taak om creatief te blijven, want daardoor blijven we ons onderscheiden van de doorsnee festivals. De grote verscheidenheid van muziekgenres, straattheater en straatanimatie is één van de sterkste troeven binnen onze programmatie. Sint-Jacobs is sinds het begin een multiculturele happening geweest, en vandaag, meer dan ooit, willen we dit standpunt beklemtonen.
De overheid en de vele organisatoren hebben de plicht om samen te zoeken hoe de basisidee van de Gentse Feesten, "een feest van, voor en door het volk", in de toekomst op een eigentijdse manier verder uitgebouwd kan worden.
Antwerpen is in 1993 de culturele hoofdstad van Europa. Gent is dat al jaren, al is het telkens maar voor tien dagen.
|
Index heropleving na '70 |
Index Geschiedenis |
Laatste update: 03/10/2002 - © 2001 STAD GENT.